dinsdag 21 november 2017

What's in a word?

Mensen met een homoseksuele relatie mogen binnen de Protestantse Kerk Nederland trouwen. Maar nog steeds is er een verschil tussen het homo- en heterohuwelijk: het homohuwelijk wordt gezegend in plaats van ingezegend.

Inzegenen-zegenen-uitzegenen 

Ik kan er niets aan doen, maar de hele dag spoken deze woorden al door mijn hoofd: Zegenen, inzegenen, zegenen, inzegenen, zegenen… Hetero’s mag je inzegenen als ze trouwen, homo’s mag je zegenen als ze trouwen. En als ik in een openbaar postje ga vertellen hoe ik er over denk word ik misschien wel uitgezegend door de kerk waar ik bij ingeschreven sta, denk ik er op een goed moment achteraan.

Kwetsbaar

Gisterochtend kwam ik het eerlijke en kwetsbare artikel tegen van dominee Anne-Marie van Briemen. Een dominee uit één plaatsje verderop. Ik ken haar niet maar had het afgelopen jaar in de wandelgangen al geruchten gehoord: ‘Die dominee uit Boskoop, die blijkt lesbisch te zijn…’ Nu las ik het artikel in de krant. Een inkijkje in haar leven en worsteling met haar lesbisch zijn in combinatie met haar predikant zijn. Het bevestigde mijn kijk op homoseksualiteit en geloof. Die is na het lezen van diverse boeken over dit onderwerp heel wat genuanceerder geworden. En na het lezen van het artikel kijk ik uit naar meer predikanten, voorgangers, maar vooral mensen (met wat voor titel dan ook) die zichzelf niet langer hoeven te verbergen.

Synode 


Goed, de synode van de PKN (ik moet bij het woord synode altijd aan het woord ‘sanhedrin’ denken, maar dat terzijde), toch wel één van de grootste protestantse groeperingen in ons land, heeft zich gebogen over het vraagstuk: ‘Wat te doen als homoseksuele stellen in de kerk willen trouwen?’ Ze hebben zich verdiept in het onderwerp en hebben zich ingeleefd door te luisteren naar de verhalen van twee homoseksuele predikanten. Eén die een celibatair leven heeft, en één die inmiddels getrouwd is met iemand van het zelfde geslacht. Dominee Anne-Marie dus. En nee, zij is niet over één nacht ijs gegaan. Ze heeft zich niet uitgeleefd op het moment dat ze ontdekte dat ze anders geaard was dan heteroseksueel. Ze is met voorzichtigheid, respect, in afhankelijkheid van God haar weg gegaan.

De synode heeft ingezoomd op de levens van deze twee predikanten, overlegd, gewikt, gewogen, gebeden, geaarzeld, gediscussieerd en heeft toen weer uitgezoomd naar de gewone kerkganger, de gelovige van nu. Echt nieuwe inzichten hebben ze niet gekregen, als ik het interview met ds. de Reuver beluister, wel wat meer zicht op hoe het er in de praktijk van een homoseksueel predikant aan toe kan gaan (en wat voor gevolgen dat dan kan hebben voor de gemeenten die ze dienen). Maar uitzicht op een oplossing die voor iedereen aanvaardbaar is, is er niet.

Goochelen met woorden 


Dus goochelt de synode wat met woorden. Politiek theologisch correcte praat noemt mijn lieftallige echtgenoot dat. De synode neemt een standpunt in: Heteroseksuele stellen worden ingezegend. Homoseksuele stellen worden gezegend. Wat het verschil is wordt niet duidelijk. In andere talen zijn daar ook geen verschillende worden voor zegt Reuver in zijn interview met Groot Nieuws Radio.

Mijn gedachten slaan op hol. Wat een woordenspel weer. Een onderdeel van de tale Kanaäns, zoals we die in de loop van de eeuwen hebben bedacht. Zegenen, inzegenen, uitzegenen. We gaan gemakshalve gewoon voorbij aan de betekenis van zegenen. We bedenken een woord waardoor het nog nét acceptabel is dat homoseksuele stellen in de kerk een zegen mogen ontvangen. ’t Zijn wel net iets minder letters dan heteroseksuele stellen, maar die zegen heb je dan toch te pakken. En hopelijk ben je daarmee dan ook van de klachten van gemeenteleden af die dit niet goedkeuren. Er is immers verschil? Het gaat niet om dezelfde zegen…

In mijn hoofd rollen allerlei woorden over elkaar heen. Je kunt bijvoorbeeld inademen, ademen en uitademen. Daar heb ik vorig jaar nog een boek over geschreven. Adem in, Adem uit. In dezelfde categorie zit inblazen-blazen-uitblazen. Hoewel ik bij inblazen meer denk aan mond op mond beademing, bij blazen aan mijn bladblazer die als ik de schakelaar omzet ook een vernietigend effect kan hebben, en bij uitblazen zie ik een plaatje voor me van iemand die halfdood over de eindstreep van de marathon valt.

Tussen bakeren en inbakeren zit ook niet echt verschil. Ik stel voor dat we dan inbakeren voortaan gebruiken als het duidelijk een jongetje of een meisje is, en bakeren als het geslacht onduidelijk is. Indalen gaat duidelijk over de balletjes van het opgroeiende kind en dalen heeft diverse betekenissen. Uitdalen bestaat niet, maar vandalen zijn dan wel weer een bekend fenomeen.

Insnijden-snijden-uitsnijden hebben snijden gemeen maar de betekenissen zijn erg divers. Willen we er ook nog een religieus sausje overheen gieten zou je besnijden nog aan het rijtje kunnen toevoegen.

En wat te denken van:
www.walterdijkshoorn.nl
  • Inbellen-bellen-opbellen
  • Inbinden-binden-ontbinden
  • Inbouwen-bouwen-uitbouwen
  • Inbreken-breken-uitbreken
  • Inchecken-checken-uitchecken
  • Indenken-denken-uitdenken
  • Indelen-delen-uitdelen
  • Indeuken-deuken-uitdeuken
  • Indraaien-draaien-uitdraaien
  • Indrukken-drukken-uitdrukken
  • Indrogen-drogen-uitdrogen
  • Inslapen-slapen-uitslapen
  • Inspreken-spreken-uitspreken
  • Ingang-gang-uitgang-rotgang

Ik kan nog veel meer bedenken en zit hardop te grinniken als ik sommige woorden op me in laat werken. Vorige week was ik even bij mijn schoonmoeder die een verhaal vertelde van iemand die zich had laten overdopen. Ja, bingo! Daar heb je er weer één! Indopen-dopen-overdopen... Ze bedoelde natuurlijk dat een kind ooit als baby besprenkeld was, en nu als volwassene koppie onder was gegaan. Hij komt in de buurt van zegenen en inzegenen.

Als we onderwerpen als ‘dopen’ gaan nemen kom je al gauw met een ander fenomeen in aanraking: Scheuren. Het zal beginnen met inscheuren en uiteindelijk uitscheuren. En dan heb je een scheuring. Overigens zou zo’n scheuring ook zomaar kunnen ontstaan als we als gelovigen denken de waarheid in pacht te hebben en te mogen oordelen over onderwerpen als homoseksualiteit. Misschien moeten we met elkaar ontdekken dat je je als gelovige niet hoeft in te dekken als je niet precies weet hoe God naar situaties kijkt.

What’s in a word?


Laat eens op je inwerken wat woordgebruik kan uitwerken. Door een woord als ‘zegenen’ te gebruiken voor de ene doelgroep en ‘inzegenen’ voor de andere doelgroep, geef je eigenlijk al een oordeel, een mening. Je maakt onderscheid.

Ik vind dat we als christenen, als volgelingen van Jezus, als gelovigen die God vertegenwoordigen op aarde voorzichtig moeten zijn in ons oordelen. Dat is namelijk niet aan ons. Wij zijn God niet, wij hebben maar zo’n beperkte kijk op hoe Hij alles bedoeld heeft. Ja, natuurlijk moeten er regels zijn en onze behoefte aan duidelijkheid speelt ons parten.

We zijn in goed en fout gaan denken terwijl God denkt in liefde. Liefde voor de hele wereld, voor de hele schepping, voor jou en mij, voor homo’s en hetero’s (en ja zelfs voor biseksuelen, transgenders, polyamoreuzen, prostituees, geheelonthouders, geslachtslozen en alles wat je nog meer kunt bedenken). Ik hoop en wens dat we als gelovigen weer een eenheid zullen vormen met als basis Gods liefde. Jezus was er duidelijk over. Hij maakte korte metten met de religieuzen van die tijd en gaf een heldere opdracht over hoe wij in het leven mogen staan (Matt. 22:37-39 BGT):

De eerste en belangrijkste regel is deze: De Heer is je God. Je moet van Hem houden met je hele hart, met je hele ziel, en met je hele verstand. Maar de tweede regel is net zo belangrijk: Van de mensen om je heen moet je evenveel houden als van jezelf.

zondag 19 november 2017

's Zondags gaan we naar de kerk... Toch? (3)

Uit

Ik heb hem uit. Het boek ‘Zo zijn onze manieren’ van Frank Viola en George Barna. In twee eerdere blogs heb ik wat punten uit het boek aangestipt. Je kunt ze teruglezen op:
http://judithstoker.blogspot.nl/201...

http://judithstoker.blogspot.nl/201...

Onderwerpen


Het boek gaat in op tal van onderwerpen die voor ons, protestantse christenen, veelal vanzelfsprekend en traditie zijn geworden. We hebben ons aangesloten bij een kerk of gemeente en zonder er verder bij na te denken gaan we mee in alle gewoonten en gebruiken. In het boek wordt grondig onderzocht hoe dingen ontstaan zijn, welke invloeden hierbij van belang waren en wordt er ook gekeken of zaken ook terug te vinden zijn in de bijbel.

Ik zou het boek tekort doen, én ik zou onnodige discussies uitlokken, als ik op ieder onderwerp zou ingaan. Maar ik wil toch wat punten noemen die mij aan het denken hebben gezet, of die mijn soms wat vage gevoel van ‘klopt dit eigenlijk wel’ bevestigden.
  • Het kerkgebouw (hierover schreef ik in de eerste blog)
  • De liturgie (hierover schreef ik in de tweede blog)
  • De preek: De heiligste koe van het protestantisme. In onze diensten is de preek centraal komen te staan. Dat het woord van God verkondigt moet worden, is absoluut een bijbels gegeven. Maar de hedendaagse ‘kanselpreek’ is niet hetzelfde als de verkondiging en het onderwijs dat we in de bijbel tegenkomen. De preek is een voortvloeisel van de Griekse retoriek en de gemeente wordt door het centraal stellen van de preek gereduceerd tot een groep zwijgende toeschouwers. De preek brengt het functioneren van het lichaam van Christus tot stilstand en maakt mensen passief. Waar we in o.a. 1 Korinthe 12-14 worden aangemoedigd om onze mond open te doen legt de preek de gelovigen het zwijgen op. Bovendien maakt de preek van een dominee of spreker een geloofsspecialist en worden de ‘gewone gemeenteleden’ als tweederangs gelovigen afgeschilderd.
  • De voorganger/dominee. Een merkwaardig verschijnsel dat vanaf de tweede eeuw ontstaan is. De eerste-eeuwse kerken waren godsdienstige groepen zonder priester, tempel of offers. De christenen zelf leidden de kerk onder het directe leiderschap van Christus. Er waren weliswaar oudsten (herders of opzieners). Deze mannen waren allemaal gelijk. Er bestond geen hiërarchie onder hen.
  • Zondagse kleding/kleding voor predikanten. Ik wil er niet teveel over zeggen, maar slechts een stukje uit het boek citeren: ‘De Heer Jezus en zijn discipelen gaven niets om speciale kleding om indruk te maken op God of zich te onderscheiden van het (gewone) volk van God. Het dragen van speciale kleding uit godsdienstige overwegingen was eerder een kenmerk van de schriftgeleerden en farizeeën. Jezus zei hierover: ‘Pas op voor de schriftgeleerden die zo graag in dure gewaden rondlopen en op het marktplein eerbiedig begroet willen worden, en een ereplaats verlangen in de synagogen en bij feestmaaltijden’ (Lucas 20:46)’
  • Muziekleiders: Geestelijken met een muzikale missie. Overigens... nogmaals wil ik benadrukken dat muzikanten, aanbiddingsleiders, koren, zangers en noem maar op, niet fout zijn! Zeker niet, God eren met zang en muziek, met dans, met ons hele lichaam, dat is waar we toe opgeroepen worden al vroeg in het oude testament! Waar het in de context van dit boek over gaat is wederom het éénrichtingsverkeer. De schrijvers van het boek zeggen treffend: ‘Wanneer aanbiddingsliederen alleen aangekondigd, ingezet en geleid kunnen worden door degenen die daar talent voor hebben, wordt dit onderdeel van de dienst meer een kwestie van vermaak dan van gezamenlijke aanbidding.’ Nu zou je kunnen aanvoeren dat er in het oude testament toch ook al Levieten waren die de aanbidding leidden. Dat klopt inderdaad, maar wij leven in de periode van het nieuwe testament waarin wij allen priesters zijn en Christus onze Hogepriester is. (Hebr. 5-7 en 1 Petrus 2:5 en 9).
  • Tienden en het salaris van geestelijken. Ook over dit onderwerp is veel te zeggen en mijn advies is om eens te lezen wat de schrijvers van dit boek daarover hebben uitgezocht. Ik zal slechts een paar zinnen citeren: ‘Het geven van tienden is bijbels, maar niet christelijk. Jezus Christus heeft het Zijn discipelen niet geleerd. Het geven van tienden wordt in het nieuwe testament vier keer genoemd, maar in geen van die gevallen betreft het christenen. Wat niet wel zeggen dat de nieuwtestamentische gelovigen niet vrijgevig waren! Integendeel.’
  • De doop en het Avondmaal. Geen discussie over kinder- of volwassendoop in dit boek, maar wel een nadenkertje over het ‘tijdstip’ van dopen. Geen lange aanloop naar de doop, maar de doop als bevestiging van een openbare geloofsbelijdenis. Waar wij het ‘zondaarsgebed’ in sommige kringen kennen, was het in de eerste eeuwen gebruikelijk om na het belijden van je geloof ook direct gedoopt te worden. Een mooi getuigenis. Over het Avondmaal worden ook mooie dingen gezegd. Als ik het lees dan zou ik willen dat ik even terug kon in de tijd en eens zo’n Avondmaal van die eerste christenen zou mogen mee beleven. Want een belevenis, dat was het! Een zin uit het boek (die van mij had kunnen zijn, want dit denk ik zo vaak als we Avondmaal vieren): ‘De traditie heeft het Avondmaal teruggebracht tot een tongstrelend vingerhoedje druivensap en een klein, smakeloos stukje matse. De sfeer waarin we dit ‘vieren’ is vaak plechtig.’ Tja, ik kan er niets aan doen maar ik toch een heel ander beeld bij ‘vieren’.
  • Christelijk onderwijs. Dit hoofdstuk gaat over theologische studies, bijbelscholen, zondagsscholen en allerhande christelijke opleidingen. Er is niets mis met zulk onderwijs mits je de mensen die het gevolgd hebben maar geen bijzondere geestelijke status toebedeelt. ‘Mensen met veel bijbelkennis, een hoge intelligentie en een messcherp denkvermogen zijn niet automatisch geestelijke mensen die Jezus Christus werkelijk kennen en aan anderen een levensveranderende openbaring van Hem kunnen doorgeven.’

Moet dit nu echt...


Er staan nog twee hoofdstukken in het boek die een goede uitleg geven over hoe we het nieuwe testament kunnen lezen (in plaats van het betere knip- en plakwerk wat we nu vaak doen, teksten zoeken bij een onderwerp en de context vergeten), en over Jezus, de revolutionair.

Ik snap dat mijn blogs over dit boek irritatie en misschien wel boosheid oproepen. ‘Waarom moet het allemaal weer anders?’ zei iemand die mijn blog gelezen had. Ik weet niet of het per se anders moet. Als de zondagse samenkomst voor jou het hoogtepunt van kerk-zijn is en je ervaart dat je erdoor opgebouwd wordt, dat je relatie met God zich verdiept en dat je samen met je medegelovigen het lichaam van Christus op aarde bent, dan weet ik niet of dit boek aan jou besteed is.

Als je, net als ik, onvrede ervaart met de huidige vorm van kerk zijn, waarbij het hoogtepunt de zondagse dienst is, dan zou dit boek een aansporing kunnen zijn om op zoek te gaan naar hoe gemeente zijn bedoeld is. Iemand anders schreef onder mijn vorige blog heel treffend dat het niet per se gaat om de zondagse diensten, maar veel meer de vorm van gemeente zijn door de hele week heen. Daar ben ik het mee eens. Als we de zondagse samenkomsten zouden aanpassen maar er verder niets zou veranderen in onze manier van christen zijn, zou het zinloos zijn.

De kerk, dat ben jij, dat ben ik. Allemaal vertegenwoordigen we een stukje van het lichaam van Christus. Dat zit hem niet in de genootschap waarbij je op de lijst staat als lid of vriend of deelnemer. Dat zit hem er alleen maar in dat we Christus volgen en dat we Zijn alles overtreffende en alles omvattende liefde mogen doorgeven aan een wereld die liefde tekort komt.

Tenslotte


Ik sluit af met een laatste citaat uit het boek. Ik daag jullie uit dit boek te lezen, erover na te denken en er misschien eens met anderen van gedachten over te wisselen. Laten we met elkaar zoeken naar een manier van kerk zijn die Christus recht doet!

‘Aan het eind van dit boek is onze hoop drieledig: In de eerste plaats hopen we dat je vraagtekens zult zetten bij de kerk zoals je die op dit moment kent. In hoeverre is ze werkelijk bijbels? In hoeverre geeft ze uiting aan het absolute leiderschap van Jezus Christus? In hoeverre laat ze de leden van haar lichaam vrij om te functioneren? In de tweede plaats hopen we dat je dit boek zult delen met elke christen die je kent, zodat ook zij door deze boodschap kunnen worden uitgedaagd. En in de derde plaats hopen we dat je ernstig zult bidden over de vraag hoe je op deze boodschap zou moeten reageren.’

'Ga op de kruispunten staan, denk na, kijk naar de oude wegen. Welke weg leidt naar het goede? Sla die in, en vind rust.' (Jeremia 6:16)

woensdag 15 november 2017

Moed nodig?

Ben je een knecht van je angst of een koning van je verlangen? Een zinnetje uit het boekje ‘Durf te leven’ van Mirjam van der Vegt. Toen Mirjam een paar jaar geleden tijdens een conferentie waar ik mocht spreken dit boek presenteerde sprak ze deze woorden uit. Ik noteerde ze in mijn schrift. Onnodig, want op de één of andere manier werd dit zinnetje opgeslagen op de harde schijf van mijn hart.

Ik weet niet hoe het met jou is, maar ik ben regelmatig een knecht van mijn angst. Als je mij volgt op facebook dan lijk ik misschien heel wat. Altijd in voor een grap, meestal opgewekt en positief gestemd, bemoedigend, gelovig, kritisch, bevlogen en enthousiast. En nee, dat is geen schone schijn, want dat is helemaal zoals ik ben. Maar, soms, of af en toe, misschien wel regelmatig, is er ook een andere kant. Een angstige kant, een ‘ik’ die bang is om te falen, om niet aardig gevonden te worden, om gezichtsverlies te lijden, om anderen teleur te stellen.

‘Dat kind’


Een voorbeeld uit mijn eigen leven. Ik heb intervisie met een groepje medestudenten. Eén van hen is een paar weken geleden vader geworden. Hij en zijn vrouw volgen beiden de opleiding en we zitten bij elkaar in de groep. ‘Volgend weekend nemen we de baby mee. Een experiment, kijken of dat bevalt.’ Ik zeg niks maar voel van alles. Ik bouw mijn leven zorgvuldig om baby’s heen. Ga alleen in de hoogst noodzakelijke gevallen op kraamvisite, vermijd gelegenheden waar ik wat met baby’s moet, zal me nooit beschikbaar stellen als crèchemedewerker en dat soort dingen. Heel soms vind ik het fijn om even met zo’n klein, kwetsbaar mensje te knuffelen, de vingertjes te bewonderen, het lekkere babyluchtje te ruiken en te genieten van het bijzondere contact zonder woorden met zo’n mini-mensje. Maar dan wil ik er zelf voor kunnen kiezen.

Ik rijd naar huis en denk erover na. Wat vind ik ervan dat ze de baby meenemen naar het studieweekend? Ik vind het niet fijn geloof ik. Ik heb plaatjes in mijn hoofd van een voedende moeder in de kring, een aandacht trekkende baby, iedereen die vol bewondering boven de kinderwagen hangt, de ‘aaaaahhhs en ooohhhhhhs’ omdat de schattigheid eraf straalt en ik voel me nu al leeg. Zij wel, ik niet.

‘Maar dat is egoïstisch’, spreek ik mezelf streng toe. ‘Je moet blij voor hen zijn en ze hun geluk gunnen. Je moet je niet zo aanstellen dame, kom op, je bent 43 jaar en je hebt genoeg gehuild om je ongewenste kinderloosheid. Dat moet nu wel eens klaar zijn.’ Ik schud alle gedachten van me af, zet de muziek harder en rijd naar huis.

Het weekend erna is het studieweekend. Ik ben vroeg en heb al een plekje in de kring opgezocht. Ik zit met m’n beker koffie te kijken naar iedereen die binnenkomt. ‘Hé, wat leuk! Freek en Willeke hebben de baby bij zich!’ hoor ik een medestudent zeggen. ‘Ik weet niet of ik dat leuk vind’, zeg ik hardop. Ik zet me schrap. Ik zit vastgeplakt aan mijn stoel en terwijl een aantal groepsgenoten hen feliciteren en een blik in de kinderwagen werpen voel ik me ongemakkelijk.

Als we een openingsrondje doen, ben ik vrijwel meteen aan de beurt. Ik twijfel nog een fractie van een seconde en dan gooi ik het er toch maar uit. ‘Ik vind het gewoon super ingewikkeld dat jullie ‘dat kind’ mee genomen hebben!’ zeg ik al huilend, en mijn hele verhaal, alle afwegingen en gedachten komen eruit. Doodsbang wat iedereen ervan vindt en denkt en ergens ook bang om Freek en Willeke te kwetsen. Het lucht echter vooral op, we kunnen er daarna gewoon over praten, niemand wordt boos of is teleurgesteld in mij en sterker nog: mensen zeggen dat ze blij zijn dat ik het deel, zodat ze weten hoe het voor mij is. Ik krijg later op de dag van iemand een compliment als hij zegt dat ik een voorbeeld ben in het bespreekbaar maken van wat er in je leeft.

De lading van de aanwezigheid van ‘dat kind’ is er voor mij meteen af en ik heb er verder helemaal geen last van dat het kleine mannetje erbij is. Af en toe wordt er gegrapt over ‘dat kind’. Ik kan het prima hebben.

Angst belemmert


Mijn angst voor wat anderen van mij zullen vinden, mijn angst om afgewezen, voor gek verklaard of buitengesloten te worden, angst om een meningsverschil te hebben, heeft mij jarenlang in een bepaalde rol geduwd. De rol van behulpzame, meelevende, empathische, snelle, ijverige, gelovige en enthousiaste vrouw. Dat ben ik ook, zeker wel. Ik ben echter in de loop van mijn leven gaan geloven dat mensen mij alleen maar accepteren als ik dat deel van mezelf laat zien. Als die andere kant tevoorschijn komt, dan raak ik vast mensen kwijt.

Angst voor relatieverlies, zoals we dat zo mooi noemen. Die angst belemmert mij om mezelf te zijn. Om echt, transparant, puur te zijn. Want als mensen toch eens zouden weten wat ik écht denk en voel... dan zouden ze van me wegrennen.

Zolang ik me laat leiden door angst voor relatieverlies zit ik gevangen in mezelf. Moet ik altijd afwegingen maken in wat ik wel en niet zeg, is het moeilijk om grenzen aan te geven en nee te zeggen en moet ik het iedereen vooral maar naar de zin maken. Ik word geremd om voluit te leven en... ik laat me niet kennen!

(En nee, ik bedoel niet dat je alles altijd maar ongenuanceerd en ongezouten over anderen heen moet gieten en je mening moet geven. Natuurlijk mag je afwegen en rekening houden met anderen en hun gevoelens.)

Verlangen


De belangrijkste waarden in mijn leven zijn openheid, puur zijn en kwetsbaar zijn. Ik verlang ernaar een vrouw te zijn waar mensen van op aan kunnen. Waar mensen op kunnen leunen, maar die hen ook aanspoort op eigen benen te gaan staan. Een krachtige vrouw die ook pijn kan voelen en verdragen. Een vrouw die opkomt voor hen die onrecht is aangedaan of lijden aan dit leven, maar ook een vrouw die kan ontvangen omdat ik ook troost en begrip nodig heb als ik het moeilijk heb. Een vrouw die grenzeloos enthousiast is, maar die ook nee kan zeggen en grenzen heeft. Een vrouw die net zoveel van zichzelf houdt als van anderen. 

Als ik me me laat leiden door mijn angst voor wat mensen over mij zouden kunnen denken, dan zal ik de vrouw van mijn verlangen niet worden. Dus de vraag is wat het zwaarst weegt: Mijn verlangen of de angst.

Hoe groter mijn verlangen is om die vrouw-uit-één-stuk te worden, des te minder mijn angst te vertellen heeft. Hij is er nog wel, want het is een oude vriend die me in vroeger tijden ook geholpen heeft. Maar hij heeft minder te zeggen. Pas geleden hoorde ik een mooie uitspraak: Als je moed nodig hebt, kijk dan naar je verlangen, in plaats van naar je angst.

Moed


Ik weet niet waar jij naar verlangt en waar je door tegengehouden wordt, wat jouw angsten zijn. Misschien wil je een andere baan of een studie gaan volgen maar laat je je belemmeren door de angst dat het je toch niet gaat lukken. Wil je een reis maken maar durf je niet te vliegen. Wil je een boek schrijven maar laat je je weerhouden door de angst dat je geen uitgever kunt vinden. Wil je een vrouwen- of moedergroep beginnen, of een lotgenotengroep, maar durf je niet, want wie ben jij? Wil je een bedrijf beginnen, of een project opzetten, of wil je van je hobby je werk maken, maar blijf je steken bij de leeuwen en beren.

Ben jij een koning van je verlangen of een knecht van je angst?

Wil je iets écht anders gaan doen in je leven dan heb je moed nodig. En moed krijg je als je je verlangen de baas laat zijn over je angst.

Jozua


Van de week deed ik een testje op internet. Aan de hand van een aantal vragen kwam eruit dat ik het meest op ‘Jozua’ uit de Bijbel lijk. Ik vond het een prachtige vergelijking want Jozua is wat mij betreft één van de meest moedige mensen uit de Bijbel.

Als Mozes twaalf verspieders naar Kanaän stuurt om te kijken of het land kan worden ingenomen is Jozua één van de twee die niet kijkt naar de reuzen die er in het land wonen. Hij kijkt niet naar hoe sterk de mensen zijn, hoe ommuurd de steden zijn en wat voor onmogelijke missie het is. Hij laat zich leiden door het verlangen naar het beloofde land. Het verlangen dat overeen kwam met Gods belofte. Hij zegt:


‘Het land waar wij geweest zijn, is een prachtig land. Er is genoeg te eten voor iedereen, meer dan genoeg. Als de Heer goed voor ons is, zal hij ons erheen brengen en het land aan ons geven. Maar dan moeten jullie je niet tegen de Heer verzetten. Jullie moeten niet bang zijn voor de inwoners van Kanaän. We kunnen hen makkelijk verslaan. Want zij hebben niemand die hen beschermt, en wij wel. De Heer zal ons helpen. Wees dus niet bang.’ (Numeri 14:7-9 BGT)

De houding van Jozua werd beloond. Hij mocht het volk Israël het land Kanaän binnenbrengen. Hij werd als leider aangesteld over het volk. En weet je wat ik zo gaaf vind? Dat God zelf Jozua bemoedigt. Hij zegt tot drie keer toe tegen hem als hij aan het begin staat van zijn carrière als leider:

‘Wees (zeer) sterk en moedig!’ (Jozua 1:6,7 en 18)

Als jouw verlangens oprecht zijn en overeenkomstig Gods hart, dan mag je de baas worden over je angsten en de woorden die God tot Jozua sprak tot je nemen: Wees sterk en moedig! Zoals ook in spreuken 29:25 staat:

Je hoeft niet bang te zijn voor andere mensen. Vertrouw op de Heer, dan ben je veilig.

Ben jij een koning van je verlangen of een knecht van je angst? Ik wens je veel moed toe!